The News, what's next?

Op zaterdag 30 januari 2016 organiseerde VRT Nieuws 'Het Vooruitzicht', 27 lezingen rond trends en feiten die 2016 bepalen. Onderstaande tekst schreeft ik voor het bijhorende boek. Ga hier voor de bijhorende slides.

Hoe digitalisering de journalistiek verandert

New York, september 2013. Geïntimideerd door het ritme van de stad stapt de jonge stagiair Josh Katz de redactielokalen van The New York Times binnen. Katz is student statistiek aan de State University of North Carolina en is gepassioneerd door data en statistieken. Katz en zijn collega-studenten van de universiteit bloggen voortdurend over hun werk en dat is ook de redactie van The NY Times niet ontgaan. Katz krijgt als briljante statisticus een uitnodiging om er stage te lopen. De redactie geeft hem de vrijheid om zijn data skills verder te ontwikkelen, op één voorwaarde: zijn werk moet journalistiek relevant zijn. Katz komt al snel met een eerste idee: hij bedenkt een quiz om de evolutie van dialecten in Noord-Amerika in kaart te brengen. ‘How y’all, Youse and You Guys Talk’, zo heet het project, en het moet de deelnemer uitleggen wat zijn dialect zegt over waar hij (of zij) vandaan komt.

De poll of quiz, noem het hoe u wilt, staat amper online of hij wordt al een instant succes: tienduizenden mensen vullen hem in. Het wordt de meest bekeken pagina van de site van The New York Times in 2013 en het tweede meest gelezen artikel in de geschiedenis van de krant. Katz was zelf verbaasd over de populariteit, maar hij kan het toch verklaren, zei hij ooit in een interview: ‘Het dialect is een wezenlijk onderdeel van iemands identiteit. Dit ben ik, hier kom ik vandaan. En bovendien is een quiz ook gewoon leuk.’ Maar het bleek dus niet zomaar een quiz, het werd meteen ook een van de meest populaire zogenoemde news games ooit. Een game, een spel dat mensen leert over de evolutie van hun eigen dialect, gekoppeld aan nieuws. Journalistiek in een van zijn tientallen gedaantes.

 

 

Content is King, distribution is Queen (Jonathan Perelman, Buzzfeed)

News games, interactieve documentaires, longreads, immersive storytelling… De lijst van nieuwe vormen van journalistiek wordt elke dag een beetje langer. We zijn nooit beter geïnformeerd geweest dan vandaag. We leven in een voortdurend geconnecteerde wereld: er zijn tools, platforms, apps, enzovoort. En toch is dit nog maar het begin van wat de digitale revolutie wordt genoemd.

Vandaag worden we om de zoveel maanden geconfronteerd met nieuwe techniek- en en platformen om journalistieke verhalen te vertellen of ze tot bij de kijker, lezer en luisteraar te brengen. Zo is Facebook in de Verenigde Staten voor millennials de nieuwsbron bij uitstek. The New York Times en de Britse krant The Guardian zijn twee van de negen mediabedrijven die nu al rechtstreeks op Facebook artikels publiceren met Instant Articles. Dat is een nieuwe interactieve manier om journalistieke producten te verdelen, maar ook een die vragen oproept: lezers komen immers niet rechtstreeks ter- echt op de platformen van kranten. Het verstoort de relatie tussen de contentmakers en hun distributieplatformen. Wordt dit de Heilige Graal voor de onlinejournalistiek of de doodsteek voor klassiekere mediaspelers?

Ook bij ons doet Facebook het als informatieplatform erg goed bij jongeren. Ze volgen het nieuws tussen de posts van hun vrienden door. Tools als WhatsApp worden niet alleen gebruikt om te chatten over eerste liefdes en saaie blokavonden. Ook krante- nartikels en filmpjes worden er gretig doorgesluisd.

Journalisten moeten vandaag niet alleen leren schrijven of filmen. Ze moeten ook leren coderen, websites bouwen, in conversatie gaan met hun publiek en weten hoe ze, behalve via de klassieke kanalen, hun product moeten verspreiden. Vroeger kwamen de mensen naar ons, de ‘media’, om informatie te zoeken. Nu moeten ‘wij’ op zoek naar onze kijkers, luisteraars en lezers. Wij moeten hén vinden, zij niet langer ons. Infor- matie is overal.

The New York Times nam onlangs een ‘audience development editor’ in dienst die de onlinestrategie bepaalt om de artikels of video’s van het bedrijf, de content dus, meer te doen circuleren, online en op sociale media. Eén enkele keer een artikel delen via een tweet of een Facebookpost is niet voldoende meer. In conversatie gaan en je content lange tijd viraal houden, dat vraagt een aparte en doordachte aanpak.

Ook als het over het televisienieuws gaat, was journalistiek jarenlang zoals wiskunde: journalisten maakten hun verslag volgens een haast vastliggende formule. Een beeld, een stukje interview, nog een beeld, dan nog wat interview en een eindconclusie. Of een statement voor de camera. Om het belang van het onderwerp te benadrukken. Concurrentie was onbestaande.

 

Niet alleen de printjournalistiek, maar ook televisienieuws en -journalistiek staan nu voor grote uitdagingen. Tegen 2020 zullen er wereldwijd 8 miljard persoonlijke mo- biele toestellen (smartphones en tablets) in gebruik zijn. Liefst 69% van het mobiele internetverkeer zal opgeslorpt worden door mobiele video. Vandaag is dat 53%.

Televisie is al langer niet meer enkel en alleen dat bakje in uw woonkamer. Elk toestel waar videomateriaal op te zien is, wordt als een televisie beschouwd. Dat creëert mogelijkheden voor televisiebedrijven, maar tegelijkertijd ook bedreigingen. In het geval van de VRT is niet alleen VTM of Vier een concurrent. Iedereen die video content maakt voor het web, gaande van krantensites over gespecialiseerde websites tot iedereen die met een smartphone overweg kan, is voor televisie een rechtstreekse concurrent geworden.

Iedereen kan actuele gebeurtenissen filmen en online zetten. De VRT is een gate- keeper die betrouwbaar selecteert. We kunnen die content gebruiken voor onze eigen nieuwsuitzendingen, maar tegelijkertijd moeten we blijven inzetten op onze sterktes en verhalen nog beter maken, want de nieuwsconsument is zelfbewust en gaat online shoppen naar de beste journalistieke verhalen. Het spectrum aan interessante verhalen en topics wordt breder. Net als de manier waarop die worden gemaakt. Meer en meer ook rechtstreeks op een mobieltje. Of gefilmd met digitale camera’s die de broadcast- camera’s qua kwaliteit gewoon wegblazen.

De Amerikaanse journalist Michael Rosenblum verwoordt het zo:

For far too long, journalists and media companies have thought of television as a sepa- rate beast, both complex and expensive to make and to deliver. Neither of these is any longer true. The web means that you can put video (television) into 3 billion homes in- stantly, and for free. The iPhone means that anyone can get their hands on broadcast quality equipment. (Let me correct that. Everyone already has a broadcast quality video studio in their pocket right now.)

Het klassieke medium televisie moet tonen dat het mee is met de nieuwste digitale ontwikkelingen en tegelijkertijd in de leefwereld van de mensen staat, hen een spiegel voorhoudt, een brede kijk op de wereld biedt en nieuwe dingen laat ontdekken.

‘Televisie maken’ wordt ook democratischer. Iedereen met een smartphone kan televisie maken. Een beetje ondernemer bouwt een kleine studio in zijn garage en maakt zijn eigen uitzendingen online. Wekelijkse videocasts zijn in Amerika ontzet- tend populair. Zelfs hele talkshows gaan er rechtstreeks op het internet.

Van president Obama is geweten dat hij zijn interviews zorgvuldig uitkiest. Zo ging hij in het verleden al regelmatig langs bij onder meer Jon Stewart. Maar in 2014 verscheen hij in de talkshow Between two ferns van Zach Galifianakis. Het decor bestaat letterlijk uit twee stoelen tussen twee varens, maar de show werd al meer dan 32 miljoen keer bekeken. Online.

Maar de digitale revolutie biedt vooral uitdagingen en perspectieven.

De toekomst is visueel

Voor een boekenliefhebber is er haast geen groter genot dan je te verliezen in een prachtig boek. Het geschreven en gedrukte woord zal altijd overleven, wat de doemdenkers onder ons ook mogen beweren.

Sterker nog, de digitale variant zal letterlijk honderden mogelijkheden scheppen, zoals de longreads: vrij lange journalistieke verhalen die ondersteund worden met visueel aantrekkelijke multimedia. Dat vraagt een specifieke manier van storytelling, maar het geeft de lezer wel de kans om nog dieper en intenser in een verhaal te stappen. Kranten als De Morgen en De Tijd brengen regelmatig zulke verhalen. Ook bij de VRT wordt achter de schermen gewerkt aan deze specifieke manier van vertellen. Regelmatig zijn al voorbeelden te zien op onze website, zoals de onlineverhalen In het spoor van Rudi Vranckx of de korte longreads bij Koppen, Panorama of Het Journaal.

Een van de eerste kranten die experimenteerde met deze vorm van journalistiek was The New York Times. Met Snowfall vertelde de krant het verhaal van een groep skiërs die komt vast te zitten door een lawine. Het project haalde miljoenen views, maar lever- de maar weinig financiële return op voor de krant. Het was vooral een prestigeproject dat de krant mee op de digitale revolutie zette. En die missie is sindsdien wel geslaagd.

Een andere leestip is Refugee Republic, een online documentaire van de Nederland- se krant De Volkskrant. Refugee Republic vertelt het verhaal van enkele vluchtelingen in Kamp Domiz in Irak, op zestig kilometer van de grens met Syrië. Het is een documentaire, maar als nieuwsgebruiker bepaal je zelf hoe die verloopt. Je kunt klikken op personages om hun verhaal te horen en te zien, of je kijkt naar een video.

Een fundamenteel en cruciaal verschil met de documentaires zoals we die tot op vandaag kennen: voor een film ga je zitten en volg je het patroon van de regisseur zoals die zijn werk creëert. Interactieve en online documentaires geven die controle voor een groot deel aan de gebruiker.

VR Journalism

Een van de meest interessante vormen om journalistieke verhalen te vertellen is VR journalism, naar het Nederlands vertaald: ‘Virtuele Realiteits-journalistiek’. Of laten we het nog anders noemen: 360°-journalistiek. Letterlijk 360 graden.

Hier stap je als gebruiker als het ware in een verhaal: je krijgt een helm op je hoofd met daarin een smartphone en je kijkt naar een film of een reportage. Als je je hoofd naar links of naar rechts draait, dan beweegt ook de ruimte in de scène mee met jouw hoofd. Je bevindt je dus op een andere plek in de wereld, je bent haast fysiek in een andere tijd en ruimte.

 

Een van de grondleggers hiervan is de Amerikaanse onderzoekster Nonny de la Peña. De la Peña maakte in 2012 Hunger in Los Angeles, een VR-project dat in dat jaar op het Sun- dance-filmfestival in première ging. Hunger laat de nieuwsgebruiker voelen wat het is om in de rij te staan aan de voedselbanken in Los Angeles. Het project kreeg veel lof omdat het een realiteitsgetrouwe weergave was van de werkelijkheid, ook al was het een animatiefilm.

Voor haar volgende project ging De la Peña een stap verder. De Verenigde Naties vroegen haar om een documentaire te maken waarin ze de wereld zou laten voelen wat mensen die de oorlog in Syrië meemaken elke dag moeten ondergaan. De la Peña ontwikkelde Project Syria, waarin ze animatie en echte beelden combineerde.

Een van de meest heftige scènes speelt zich af op een zonnige dag op een marktje in Aleppo. Als kijker bevind je je dus ook op die markt. Kinderen zingen, tot plots een bom ontploft. De chaos is compleet, een intense ervaring.

Het doel is om je als nieuwsgebruiker nog meer mee te nemen naar een plek in de wereld en de ervaring nog echter te maken dan wanneer je een documentaire over – in dit geval – de oorlog in Syrië op televisie zou kijken.

Vandaag experimenteren film- en reportagemakers almaar meer met zulke non-fic- tieverhalen. Virtuele realiteit leek lange tijd enkel en alleen voor gaming voorbehouden te zijn. Vandaag is het een experimentplatform voor de journalistiek. En ook Facebook en YouTube springen mee op de kar, want op die platformen duiken ook regelmatig 360° graden-films op. Ze stimuleren hun gebruikers ook om er zelf mee aan de slag te gaan.

Een voorlopig minpunt voor professionele makers is de kostprijs en de intense ar- beidsduur. Als dit een rendabele markt wordt, zal ook de journalistieke sector die met veel liefde in de armen sluiten. Al blijft het maken van zulke films sowieso behoorlijk in- tens en duur, en is de markt voorlopig allesbehalve doordrongen van deze technologie.

De Journalist als Ondernemer

U kent misschien vox.com, newsmonkey.be of theintercept.com? Drie websites met een interessante gemene deler: ze zijn opgericht door een journalist.

Het internet laat journalisten meer dan ooit ondernemer zijn. Entrepreneurial jour- nalism noemen ze dat. Journalisten slagen er meer dan vroeger in om het creatieve en het zakelijke aspect te combineren. Bovendien worden ze door de voortdurende verschuivingen in het medialandschap en de daar vaak mee gepaard gaande besparingen, gedwongen om zichzelf en de journalistiek (her)uit te vinden. Toegegeven, in een grote markt als die van de Verenigde Staten lukt dat vandaag misschien net iets beter dan bij ons.

 

Neem nu Vox, een site die ‘topic driven’ is: je volgt er het nieuws aan de hand van onderwerpen, niet noodzakelijk aan de hand van wat er de dag zelf is gebeurd. De web- site is opgericht door Ezra Klein. Klein was tot voor enkele jaren geleden een populaire en bekende journalist bij The Washington Post. Hij leidde er Wonkblog, een populaire blog over onder meer economie en politiek. Begin 2014 startte Klein met vox.com, een website die verder wil gaan dan enkel en alleen nieuws ‘brengen’. Vox wil het nieuws ‘uitleggen’ en zorgen dat de lezers beter begrijpen wat er in de wereld gebeurt. ‘Explain- ing the world’, zegt Klein zelf. Vox is razend populair.

Een ander voorbeeld is Glenn Greenwald, die zijn carrière begon bij de Engelse krant The Guardian. Hij werd wereldwijd bekend als de man die Edward Snowden, de voormalige medewerker van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA, liet praten over de (wan)prakti- jken bij het verzamelen van wereldwijde informatie. Greenwald werd in een mum van tijd een journalistiek merk. Hij verliet de krant en leidt vandaag de blog theintercept.com, een platform waarop hij eigen onderzoeksprojecten lanceert en andere mee ondersteunt.

Zoals Klein en Greenwald.zijn er nog tientallen voorbeelden van journalisten die dankzij de mogelijkheden van het internet hun eigen publicatie starten, minder gebon- den aan de geplogenheden van het bedrijf waar ze tot dan voor werkten. Al is het niet al goud wat blinkt. In maart 2015 moest de populaire technologieblog Gigaom er in de VS mee ophouden. Te weinig inkomsten. Het voordeel voor journalisten die bij een ‘klass- iek’ mediabedrijf werken, is dat ze daar vaak niet van wakker hoeven te liggen.

De voorbeelden die ik hierboven aanhaalde, zijn ook allemaal Amerikaanse of in- ternationale websites. Maar ook bij ons zijn er mooie voorbeelden. In Vlaanderen is Newsmonkey tot op vandaag de bekendste blog die door journalisten werd opgestart. De site haalt dagelijks enkele tienduizenden bezoekers. Een andere bekende en terecht gewaardeerde blog is Charliemag, voornamelijk door en voor vrouwen. Maar het grote verschil met Newsmonkey is dat de oprichters er voorlopig nog niet fulltime van kunnen leven. Uiteraard hopen veel bloggers op een dag te kunnen leven van wat ze schri- jven, maar dat blijft in ons kleine taalgebied vooralsnog een echt probleem.

Onnodig om te zeggen dat de sociale media en de vele nieuwsites het de radio- en te- levisiejournalisten vandaag knap lastig maken. Als Het Journaal om 19 uur begint, dan bent u al van veel op de hoogte. De sociale media dagen ons uit om onze verhalen en nieuwsreportages op de best mogelijke manier te vertellen en nieuwe invalshoeken te verzinnen. En als we niet goed genoeg ons best doen, dan reageert u. Of u vraagt zich af waarom dat ene onderwerp waarover u vandaag online een interessant artikel las, niet mee is opgenomen in de nieuwsuitzendingen.

Keep the conversation going – In gesprek gaan

Maar laten we die sociale media en dat internet vooral als een opportuniteit zien. Een mogelijkheid om met u in conversatie te gaan. Om te vragen waar u mee bezig bent, om feedback te vragen en te krijgen. Om te weten wat er in uw leefwereld gebeurt. We moeten in conversatie gaan, de sociale media gebruiken als middel om met elkaar te praten. Het eenrichtingsverkeer, u die informatie van ons krijgt, moet nu ook de andere kant uitgaan. Wij die u vragen om mee het nieuws te maken. U weet zoveel.

 

 

De Engelse krant The Guardian heeft met ‘The Guardian Witness’ de eerste voor- zichtige stappen in die richting gezet. ‘The Guardian Witness’ is een pagina op de site van de krant waar lezers foto’s en filmpjes kunnen posten over interessante gebeurtenissen. En de krant kan daarmee aan de slag.

Community building – Bouwen aan een hechte gemeenschap

Maar we moeten nog een stap verder durven te gaan. De uitdaging ligt in het creëren van communities rond journalistieke producten: mensen met diverse academische en sociale achtergrond die de mediabedrijven mee input leveren om mee ‘nieuws te maken’ en de journalistiek naar een nog hoger niveau te tillen. Journalisten mogen sociale media niet alleen beschouwen als een platform om audio, video en tekst mee te ver- spreiden. We moeten ze gebruiken als een tool om een diepe en persoonlijke band te creëren met onze kijkers, lezers en luisteraars. Om professoren en academici die beschikken over data, te gebruiken als primaire bron om belangrijke sociale thema’s aan te kaarten. Want datajournalistiek is in Vlaanderen een blinde vlek. Maar ook om mensen uit het middenveld en uit alle lagen van onze maatschappij aan te spreken, om informa- tie te vragen en aan te voelen wat er écht leeft in onze samenleving. En dus om de kennis die zij hebben te binden aan onze nieuws- en reportagemagazines.

En misschien moeten mediabedrijven zelfs mee de gemeenschap organiseren – een denkpiste waarin de VRT als openbare omroep een voortrekkersrol kan spel- en. Neem nu de Amerikaanse professor en mediakenner Jeff Jarvis. Jarvis heeft het niet zo begrepen op een wezenlijk onderdeel van ons journalistieke werk: storytelling. Story- telling is de verzamelnaam voor technieken om goede verhalen te maken. Journalisten zijn storytellers, verhalenmakers. Niet zo, vindt Jarvis. De professor vindt dat omroepen en zeker openbare omroepen zichzelf niet mogen zien als nieuwsbedrijven, maar als serviceproviders. News as a service, nieuws als een dienst. Niet de kijkcijfers zouden het belangrijkste mogen zijn, maar de waarde die een openbare omroep toevoegt aan een samenleving: gaande van uitleg geven over hoe je een stemformulier invult in plaats van enkel en alleen te berichten over verkiezingen, tot wetten die worden veranderd of aangepast door verslaggeving, omdat ze zo beter worden voor de gemeenschap.

‘Trust me, i am a journalist’

Meer journalistieke toepassingen en de verbreding van wat journalistiek moet zijn, vra- gen ook meer zelfreflectie. Het vertrouwen in de journalistiek is niet altijd even groot. Ruwweg vier op de tien mensen vertrouwt journalisten. Dat wil zeggen dat zestig pro- cent dat niet doet. Dat is te veel. Fouten in de berichtgeving, sensatiezucht, ronkende titels die de lading niet dekken, en context en duiding die ontbreken bij grote nieuwsfeiten. Dat zijn redenen waarom mensen ons vak soms wantrouwen.

Een voorbeeld: vorig jaar kreeg een schooldirecteur uit Halle er flink van langs van onder meer een Vlaamse minister, toen hij een klasuitstap naar Brussel had geannu- leerd vanwege de terreurdreiging. ‘Angst voor terreur’, stond er in dikke letters boven een krantenartikel, met de man in kwestie op de foto. De man werd domheid verweten, er was onbegrip voor zijn beslissing.

Moedeloos vertelde de directeur in een andere krant dat hij had moeten weten dat er zo een ronkende titel boven het bewuste artikel zou staan. Angst voor terreur? Niet helemaal waar. De directeur wilde de kinderen uit zijn school een juist beeld van onze maatsch- appij geven en dat is er niet eentje waar zwaarbewapende agenten en soldaten in steden rondlopen. (Een beeld dat intussen jammer genoeg ook weer bijgestuurd moet worden.)

De man was, terecht, teleurgesteld in ‘de pers’.

Een goed verhaal heeft een conflict nodig, daar is iedereen die verhalen maakt van

overtuigd. Maar dat is nog iets anders dan ronkende conflictueuze titels die de lading niet dekken. Ik ben ervan overtuigd dat we die tijd gehad hebben en heb dan ook mijn bedenkingen bij websites die met de meest ‘onthutsende’ beelden of de meest ‘schok- kende’ verhalen uitpakken om klikvee aan te trekken. Hoe meer clicks, hoe hoger de inkomsten. Maar de wekelijkse opsommingen van hoaxes op bijvoorbeeld sites als The Washington Post worden almaar langer.

Mensen hebben meer dan ooit nood aan duiding en context bij wat er in de wereld gebeurt. Het is de taak van journalisten om uit te leggen, analyses te maken en context te scheppen. Niet met het vingertje omhoog, niet om te moraliseren, maar om te ver- klaren waarom iets in de wereld aan het gebeuren is. Mensen hebben nood aan goede gidsen. Aan degelijke journalistiek. En dat is waar wij bij de VRT voor willen staan.

Darwin heeft gelijk.

Het is moeilijk om de (digitale) toekomst van de journalistiek te voorspellen. Nieuwe spelers komen en gaan, elke dag zijn er nieuwe digitale mogelijkheden om ons vak uit te oefenen. We proberen daar zo goed mogelijk mee om te gaan, maar werkelijk niemand heeft nu enig idee van hoe de televisie- of radiowereld er over pakweg tien jaar zal uitzien.

Bestaat televisie nog? Ja, uiteraard. Maar wat is het concept televisie morgen nog waard? Hetzelfde als nu, waarbij u gaat zitten en op Canvas een aflevering van The News- room bekijkt om vervolgens een week te wachten tot een nieuwe aflevering wordt uitge- zonden? Neen, dat niet, nu al kan u op canvas.be volledige reeksen in één keer uitkijken.


Smart-tv’s verbonden met het internet zullen de huiskamers veroveren. Voor nieu- ws en actualiteit zal er gelukkig altijd een plaats zijn, want dat zijn voornamelijk livegebeurtenissen. Maar wat met de programmatie eromheen?

Ook de printjournalistiek is al vaak dood verklaard. Maar ook daar geloof ik niet in. Over tien jaar zullen we nog steeds onze ochtendkrant op zaterdag lezen. Maar de website van uw dagelijkse krant zal waarschijnlijk een multimediaal platform geworden zijn. De journalistiek zal niet meer van journalisten zijn, maar van ingenieurs, codeurs, grafici, filmmakers, ondernemers, academici, studenten, leerkrachten… die er met een frisse blik naar kijken en er nog meer waarde aan toevoegen. Dat is nu al een beetje het geval.

Om het met de woorden van Charles Darwin te zeggen:

‘Het zijn niet de sterkste soorten die overleven en ook niet de meest intelligente. Het is de soort die het beste reageert op veranderingen.’